Bij variant S1a zorgt een combiwarmtepomp voor de verwarming van het gebouw. De combiwarmtepomp onttrekt daarvoor warmte aan de buitenlucht. De gebouwen worden geïsoleerd tot schillabel B. De combiwarmtepomp waardeert de warmte op individueel gebouwniveau op tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. Om te kunnen voorzien in de vraag naar warm tapwater wordt daarnaast een buffervat geplaatst. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S1b zorgt een combiwarmtepomp voor de verwarming van het gebouw. De combiwarmtepomp onttrekt daarvoor warmte aan de bodem. De gebouwen worden geïsoleerd tot schillabel B. De combiwarmtepomp waardeert de warmte op individueel gebouwniveau op tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. Om te kunnen voorzien in de vraag naar warm tapwater wordt daarnaast een buffervat geplaatst. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S2a wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door warmtebronnen met een warmte van 70 ˚C of hoger, bijvoorbeeld door restwarmte van de industrie. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. Met dit isolatieniveau is de warmte met het temperatuurniveau van 70 ˚C direct geschikt voor zowel ruimteverwarming als warm tapwater. Hierdoor hoeven de standaardradiatoren niet aangepast te worden. Het elektriciteitsnet hoeft voor deze variant niet verzwaard te worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S2b wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door geothermiebronnen die aardwarmte leveren van 70 ˚C of hoger. Niet overal in Nederland is bekend of de ondergrond daarvoor geschikt is. In deze variant wordt alleen gebruikgemaakt van gebieden waar voldoende informatie over de ondergrond beschikbaar is. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. Met dit isolatieniveau is de warmte met het temperatuurniveau van 70 ˚C direct geschikt voor zowel ruimteverwarming als warm tapwater. Hierdoor hoeven de standaardradiatoren niet aangepast te worden. Het elektriciteitsnet hoeft voor deze variant niet verzwaard te worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S2c wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door geothermiebronnen die aardwarmte leveren van 70 ˚C of hoger. In deze variant wordt ook gebruikgemaakt van gebieden waarvan niet bekend is of de ondergrond geschikt is voor geothermie. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. Met dit isolatieniveau is de warmte met het temperatuurniveau van 70 ˚C direct geschikt voor zowel ruimteverwarming als warm tapwater. Hierdoor hoeven de standaardradiatoren niet aangepast te worden. Het elektriciteitsnet hoeft voor deze variant niet verzwaard te worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S2d wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door warmtebronnen met warmte van 70 ˚C of hoger, bijvoorbeeld door restwarmte van de industrie. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. Met dit isolatieniveau is de warmte met het temperatuurniveau van 70 ˚C direct geschikt voor zowel ruimteverwarming als warm tapwater. Hierdoor hoeven de standaardradiatoren niet aangepast te worden. Het elektriciteitsnet hoeft voor deze variant niet verzwaard te worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S2e wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door geothermiebronnen die aardwarmte leveren van 70 ˚C of hoger. Niet overal in Nederland is bekend of de ondergrond daarvoor geschikt is. In deze variant wordt alleen gebruikgemaakt van gebieden waar voldoende informatie over de ondergrond beschikbaar is. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. Met dit isolatieniveau is de warmte met het temperatuurniveau van 70 ˚C direct geschikt voor zowel ruimteverwarming als warm tapwater. Hierdoor hoeven de standaardradiatoren niet aangepast te worden. Het elektriciteitsnet hoeft voor deze variant niet verzwaard te worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S2f wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door geothermiebronnen die aardwarmte leveren van 70 ˚C of hoger. In deze variant wordt ook gebruikgemaakt van gebieden waarvan niet bekend is of de ondergrond geschikt is voor geothermie. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. Met dit isolatieniveau is de warmte met het temperatuurniveau van 70 ˚C direct geschikt voor zowel ruimteverwarming als warm tapwater. Hierdoor hoeven de standaardradiatoren niet aangepast te worden. Het elektriciteitsnet hoeft voor deze variant niet verzwaard te worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij variant S3a wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed met lagetemperatuurwarmtebronnen, bijvoorbeeld met restwarmte uit een datacenter. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15-30 ˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3b wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT)-warmtenet dat wordt gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15 ˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3c wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70 ˚C voordat die aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3d wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT) warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel B geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 50 ˚C voordat die aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming. Voor warm tapwater wordt een boosterwarmtepomp ingezet om de temperatuur naar een niveau op te waarderen dat geschikt is voor warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3e wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT)-warmtenet dat wordt gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. Voor regeneratie van het WKO-systeem wordt thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) gebruikt. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15 ˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot 50˚˚ C. De gebouwen worden geïsoleerd tot schillabel B. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming. Voor warm tapwater wordt een boosterwarmtepomp ingezet om de temperatuur naar een niveau op te waarderen dat geschikt is voor warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3f wordt het gebouw verwarmd met een warmtenet gevoed met lagetemperatuurwarmtebronnen, bijvoorbeeld met restwarmte uit een datacenter. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70 ˚C voordat die aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3g wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT)-warmtenet dat wordt gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. De warmte wordt bij woningen en gebouwen geleverd op een temperatuurniveau van 15 ˚C. Binnen het gebouw wordt een combiwarmtepomp geplaatst, die de warmte op individueel gebouwniveau opwaardeert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren worden vervangen door lagetemperatuurradiatoren. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S3h wordt het gebouw verwarmd met een zeerlagetemperatuur (ZLT)-warmtenet gevoed met een warmte-koudeopslag (WKO)-systeem. De gebouwen worden tot schillabel D geïsoleerd. De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70 ˚C voordat die aan gebouwen geleverd wordt. Met dit isolatieniveau is de warmte direct geschikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet vervangen te worden. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Ten slotte worden het gasnet en alle gasaansluitingen verwijderd.
Bij strategie 3 kijken we naar de mogelijkheden van een (Z)LT-net met behulp van een clusteringmethode. Per gebouw wordt een afweging gemaakt tussen het aansluiten aan een (Z)LT-net of op een individuele elektrische warmtepomp. Dit resulteert in variaties in de verdeling tussen aansluitingen op een LT-net en een elektrische warmtepomp per buurt. In de Strategievergelijking kun je deze verdeling per buurt zien. Ga voor meer toelichting bij de clusteringmethode naar Hoofdstuk 3.1.4 van de Gebruikershandleiding.
Bij variant S4a worden de gebouwen tot schillabel B geïsoleerd. Binnen het gebouw wordt een hybride warmtepomp geplaatst, die warmte levert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet te worden aangepast. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Indien gebruik wordt gemaakt van waterstof zijn aanpassingen nodig aan de gebouwinstallaties en de gasinfrastructuur. De levering van aardgas wordt vervangen door de levering van groengas of waterstof.
Bij variant S4b worden de gebouwen tot schillabel D geïsoleerd. Binnen het gebouw wordt een hybride warmtepomp geplaatst, die warmte levert tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De standaardradiatoren hoeven niet te worden aangepast. Het elektriciteitsnet moet voor deze variant mogelijk verzwaard worden. Indien gebruik wordt gemaakt van waterstof zijn aanpassingen nodig aan de gebouwinstallaties en de gasinfrastructuur. De levering van aardgas wordt vervangen door de levering van groengas of waterstof.